Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XX.

HET VONNIS.

Dè zon was verdwenen aan den gezichteinder, de schaduw had het licht vervangen, de duisternis, als uit de aarde opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodskleed bedekt. De Gambucinos verzamelden acote-takken, die aan den brandenden houtstapel werden ontstoken en weldra was de boomlooze ruimte waar alles wat wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom het vuur zaten, kleurde met een laaien purpergloed en aan het gansche tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf.

Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op:

„Daar deze portefeuille in uw handen is gevallen, begon hij, „heb ik u niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder, die de verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken; uw vrouw is dood don Mariano, maar uw dochter leeft nog; zij is in veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken aan hare beulen en haar op te lichten uit het afschuwelijk in pace waar men haar levend begraven had ; uw dochter zult gij wederzien, don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik haar uit den grafkelder heb opgenomen."

Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen krachtom de vreugde te weerstaan; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, dat hij buiten kennis ter aarde stortte en als een laatste poging alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zooveel heil na zoo veel leed. Zijn bedienden, door verscheidene Gambucinos bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte.

Don Miguel liet aan de opschudding, door den val van don Mariano te weeg gebracht, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben bevolen, hervatte hij:

„Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan 1 Woedend van spijt, dat gij een uwer slachtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered had ; daarom hebt gij mij in een hinderlaag gelokt, in de hoop mij te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen."

Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jonkman aan met een spottenden blik.

„O, ho I" riep hij schamper, „heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet, om mij tot zwijgen te brengen.

Sluiten