Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O gij hebt hem gedood/' prevelde hij.

„Neen," hernam Vrij-Kogel koel, „hij zal door zijn eigen hand sterven; hij moet zich zeiven dooden."

„O 1 dat is verschrikkelijk ! In 's hemels naam I zeg my alles ; ik verlang de geheele waarheid te hooren, hoe vreeselijk zij ook wezen mag, liever dan die akelige onzekerheid."

„Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven, gij zult het maar al te spoedig in al zijn bijzonderheden vernemen."

„Het zij dan zoo," hernam don Mariano beslist, terwijl hij zyn paard omwendde, „ik weet wat mij te doen staat."

Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij:

„Pas op I senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk laat vervoeren, gij zoudt u wellicht eenmaal beklagen over hetgeen gij thans doen wilt."

„Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven," riep hij, „dan ware ik een broedermoorder."

„Geenszins, want hij is rechtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het werktuig geweest, waarvan de goddelijke gerechtigheid zich bediende om een schuldige te straffen."

„O, maar met zulke spitsvondige redeneeringen zult gij mij niet overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden, thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van myn bedrijf, en ik zal herstellen wat ik misdeed."

Vry-Kogel hield hem met kracht by' den arm terug en fluisterde hem met een waarschuwenden blik in 't oor:

„Stil toch 1 Gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het is uw taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over."

Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk bet besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zyn paard den teugel vierende, vervolgde hij zyn tocht met een nadenkend gezicht. Een kwartier later kwamen zy aan het veer del Rubio.

Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel in hare bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde.

„Gij keert thans naar uw kamp terug," zei Vrij-Kogel, „het is onnoodig dat ik u yerder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder naar de Gambucinos terug," vervolgde hij met een veel beteekenenden blik op don Mariano; „zet 'uw tocht langzaam voort, gij zult uw kamp slechts weinig minuten eerder bereiken dan wy."

„Gij staat er dus op om terug te gaan?" vroeg don Mariano.

„Ja," antwoordde Vry-Kogel; „adieu I tot straks."

„Tot straks dan," hervatte de cabellero hem de hand gevende.

Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijn bedienden stilzwijgend gevolgd.

Vrij-Kogel, die aan den oever was blyven staan, oogde hen na tot zy de overzijde van het veer hadden bereikt; hy' zag hen aan wal stappen, don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de rechterhand nog een groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras in. Zoodra zy

Sluiten