Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onzichtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het dicht belommerde bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in 't hoofd te hebben; nauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp een bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte en volslagen eenzaamheid heerschten in 't rond.

„Het moet gebeuren 1" prevelde de Canadees; door anders te handelen zou ik een laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is, een lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons richten !"

Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich. verzekerd te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hy het weder noodig zou hebben; daarop hing hij zijn buks over den schouder, stapte voorzichtig het kreupelbosch in en herhaalde bij zich zeiven de vorige woorden:

„Het moet gebeuren I"

Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeilijke plannen, wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zyn scherp oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherp naar de duizend naamlooze geluiden die de woestijn bezielen ; hy' bleef nu en dan staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zyn gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzichtbaar wezen aankondigde.

Plotseling stond hij stil, stond eenige seconden onbéwegelijk, en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Nauwelijks had hij zich op deze wjjze verscholen, of het dof getrappel van paardenhoeven klonk in de verte onder de dichte bladergewelven van het woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters, die in gesloten kolonne voortreden.

Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wy' straks na den afloop van het strafgericht naar het kamp zagen terugkeeren.

Hy hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog te zwak was om te- paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam, om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok weder naar het veer del Rubio.

Vry-Kogel liet zijn kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder de minste beweging te maken welke zijn tegenwoordigheid had kunnen verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zy'n terugkeer volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zyn voorgenomen plan geheel voor zijn rekening kwam, en het beginsel waarnaar hy' te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn geweten en God.

Een ding verwonderde hem, namelyk dat hij den Vliegenden-Arend en de Wilde-Roos tevergeefsch onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen Vry-Kogel zeer te verontrusten en hem in zyn viije beweging te

Sluiten