Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te laten afschrikken.

Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk geheel in de verte wegstierf.

Nu richtte hij zich moedig op.

„Goed," mompelde hij met een tevreden gezicht, „thans kan ik weder naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste zoo de Vliegende-Arend en zijn vrouw niet in den omtrek zijn blijven rondzwerven. Bah 1 dat zullen wij spoedig zien ; zeker 'is het wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te verspillen; gaan wij dus voort."

Hierop wierp hij zijn geweer over den schouder en ging met luchtigen tred op weg, zonder nochtans de voorzorgen te verzuimen die in de wildernis steeds noodig waren, want bij nacht weten de woudloopers, dat zij steeds door duizenden onzichtbare vijanden, zoowel menschen als beesten, omgeven zyn.

Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomlooze ruimte waar de belangrijke tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden plaats gehad, en te midden waarvan thans niet meer over was dan een ongelukkige, levend begraven, onder den last zyner misdaden zoo wel als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid.

De jager staakte zijn tocht, strekte zich op den grond uit en keek rond.

Een stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; don Estevan, met oogen door schrik vergroot en gezwollen, en de borst beklemd door de aarde die rondom zyn lichaam was opgehoopt en hem telkens zwaarder en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht allengs aan zyn longen ontbreken; zyn slapen klopten alsof zy zouden bersten, het bloed kookte in rijn gezwollen aderen, en groote droppels koud zweet parelden op zyn voorhoofd; weldra trok zich een bloedige sluier voor zijn oogen, hy gevoelde dat hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwyl alles hem begaf, rukte de ellendeling zich met een geweldige poging den doek uit den mond, slaakte een hartverscheurenden kreet; twee groote tranen welden uit zyn brandende oogen en biggelden hem langs de wangen; zijn hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om daarmede zyn lyden te kunnen doen eindigen; hij bracht de tromp aan zijn voorhoofd en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop:

„Myn God ! mijn God I vergeef mij !"

Hy bracht den vinger aan den trekker en drukte af.

Maar te gelyk werd zyn arm door een onzichtbare hand weggerukt, de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar zachte stem zeggen:

„God heeft u verhoord, Hij vergeeft u."

De ellendeling wendde verbijsterd het hoofd om, en staarde den man, die

Sluiten