Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De flauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijn heftige gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De plotselinge begieting met het kille water, bracht een heilzame reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen.

Het eerste wat deze verdorven man deed toen hij weder tot bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken.

„Ik dank u," zeide hij

De jager deinsde terug zonder de hand die hem aangeboden werd aan te nemen.

„Gij hebt mij niet te danken," zeide hij. „Wien dan ?" „God 1"

Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk samen; maar spoedig begrijpende dat hij zyn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk zijn bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige nog te veel noodig had, vervolgde hy op een toon van geveinsde zachtmoedigheid:

,,'t Is waar, God eerst, en dan u."

„Mij I" riep Vrij-Kogel. „Ik heb niets meer dan mijn plicht gedaan en een oude schuld vereffend, thans hebben wy afgerekend. Tien jaren geleden hebt gij mij een gewichtigen dienst bewezen, vandaag heb ik u het leven gered, dat is een leening tegenover een terugbetaling; ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uw kant mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander niét meer en onze wegen loopen uit een."

„Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten?" vroeg hij op een toon van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon. „Wat kan ik meer voor u doen?" „Alles!"

„Ik begrijp u niet." * „Gij hadt my liever in dien kuil, waar gij mij eerst in hebt geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven, of aan de roofen moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed, Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des doods; gy hebt mij derhalve niet gered, maar myn doodstrijd des te langer en moeielyker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen my gelaten hadden, om myn jammeren te eindigen, zoodra mij de moed des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan." „Gy' hebt gelyk," prevelde Vry-Kogel.

De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige oogenblikken ernstig na.

Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende gewaarwordingen, die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van den Canadees afwisselden.

Deze sprak eindelijk.

„Ik moet h gelyk geven dat gij 'mij om wapenen vraagt; zoo gy daarvan beroofd blijft, zyt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen toestand als die waar ik u uit geholpen heb."

Sluiten