Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wy te zamen de reis maken zullen; de weg is lang van hier tot aan de bezettingen der blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan."

„Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen."

„En gij dan ?"

„Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers als ruiters ; komaan, beslis nu maar."

„Myn God I ik zal wel moeten doen, wat gij zegt, of ik wil of niet."

„Ja, ik geloof dat het voor u het beste en zekerste is. Gij zijt derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder?"

„Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar kijk eens!" vervolgde hij op eens, „wat gebeurt daar ginds in de struiken ?"

Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de richting die de Mexicaan aanduidde.

Deze nam oogenblikkelijk zijn kans waar, en het pistool, waarmede hy tot hiertoe schijnbaar achteloos had zitten spelen, bij den tromp vattende, hief hy het schielijk op en gaf er den jager een slag mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid toegebracht, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot en met een zwaren kreun op den grond tuimelde.

Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat en verachting.

„Idioot 1" mompelde hy, hem met den voet schoppende, „gij hadt mij uwe zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered had, nu is het te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij, cuerpo de Christof en ik zal my wreken."

Na het uitspreken dezer wóórden, sloeg hij een uitdagenden blik ten hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte' of aarzeling al zijn wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of hij dood dan alleen gewond was.

„Gy zyt het, vervloekte hond 1" riep hij, „die nu van honger moet sterven, of door de wilde, beesten zult worden verscheurd; wat mij betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen heb om mijn wraak te volvoeren."

Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen.

XXII. HET KAMP.

Even voor het opgaan der zon bereikten de Gambucinos hun kamp. Gedurende hunne afwezigheid waren de weinige mannen die zij tot bewaking der bolwerken hadden achter gelaten, niet verontrust geworden.

Sluiten