Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De zon zal over een uur opkomen; doe mij de eer, cabaleros, van mijn gastvrijheid gebruik te maken en mij in mijn tent te volgen." De beide mannen maakten een buiging.

Don Miguel, nog altoos op de baar zittende, wenkte thans zijn dragers om hem tot voor zijn tent të brengen; daar gekomen, stond hij op, geholpen door Loer-Vogel, en trad leunende op den arm des jagers de tent binnen; gevolgd door don Mariano.

Het gordijn werd achter hen nedergelaten.

De Gambucinos door den nachtmarsch afgemat, haastten zich hunne paarden te ontzadelen en hen van voeder te voorzien; vervolgens, na eenige versche takkebosschen op de vuren geworpen te hebben, om ze weder te doen opvlammen, wikkelden zij zich in hunne fressadas en zarapes en strekten zich op den grond uit, waar zij weldra insliepen. Geen tien minuten na hunne terugkomst, lag de gansche troep in een diepen slaap gedompeld. Slechts drie mannen waakten nog; die drie mannen waren don Miguel, Loer-Vogel en don Mariano, verzameld onder dezelfde tent, waar zij een belangrijk gesprek hielden, dat wij onzen lezers terstond zullen mededeelen.

Het inwendige der tent waar don Miguel zijn gasten had binnengeleid, was op het eenvoudigst gemeubeld; in den eenen hoek stond de dicht gesloten palankijn; in den' tegenovergestelden hoek lagen eenige stapels dierenvellen die tot slaapplaats dienden; vier of vijf bisonsschedels dienden tot stoelen; men. zou moeilijk iets kunnen uitdenken dat eenvoudiger en tevens gemakkelijker was.

Don Miguel wierp zich op zijn bed, na vooraf zijn gasten met een vriendelijke wenk te hebben uitgenoodigd om op de bisonsschedels plaats te nemen. Loer-Vogel en don Mariano schoven hunne zetels nader bij den gastheer, en zetten zich in stilte neder.

Don Miguel nam toen het woord.

„Caballeros", zeide hij, „de daadzaken die dezen nacht hebben plaats gehad, daadzaken op welke ik niet zal terugkomen, ■ eischen eenige nadere toelichting, vooral in het vooruitzicht op de waarschijnlijke ontwikkeling der gebeurtenissen die er later op volgen zullen, en aan welke wij, zoo ik hoop, geroepen zijn om binnenkort deel te nemen' Wat ik thans te zeggen heb gaat inzonderheid u aan, don Mariano, en het is dus vooral tot u, dat ik het woord richt. Wat Loer-Vogel betreft, hij weet waaraan hij zich in deze te houden heeft, en zoo ik hem verzoek om het gesprek dat ik met u voeren zal bij te wonen, is het vooreerst uit hoofde der oude vriendschap die tusschen hem en mij bestaat, en ten tweede omdat zyn raad ons altijd van groot nut kan zyn voor de nadere besluiten, die wij in deze zaak nemen zullen."

Don Mariano keek den Mexicaan aan met een blik die duidelijk bewees dat hij volstrekt niet begreep waar de spreker met deze lange inleiding heen wilde.

„Herinnert gij u niet, senor don Mariano", sprak de Canadees, „wat ik u op weg naar het kamp gezegd heb, namelijk dat het belangrijkste gedeelte van deze historie u nog geheel onbekend was ?"

„Dat herinner ik mij inderdaad," antwoordde don Mariano, „maar om u de waarheid te zeggen, heb ik toen aan uw verklaring niet zooveel gewicht gehecht als zij schijnt te verdienen."

Sluiten