Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Welnu," hervatte de Canadees, „als ik mij niet bedrieg, zal don Miguel u met weinige woorden op de hoogte stellen van het gruwelijk komplot dat hier gesmeed werd." Maar, vervolgde hij, „één ding spijt mij, er ontbreekt hier iemand dien ik er gaarne bij had gezien; het zou van belang zijn geweest dat ook hij de geheele waarheid vernomen had. Sedert onze terugkomst in het kamp heb ik hem echter nog niet ontmoet."

„Van wien spreekt gij ?"

„Van Vrij-Kogel, dien ik gelast had u herwaarts te vergezellen."

„Hij heeft mij werkelijk vergezeld, maar aan den ingang van het kamp, waarschijnlijk daar hij begreep dat ik hem toen niet verder noodig had, heeft hij mij verlaten."

„Heeft hij u niet gezegd met welk oogmerk ?" vroeg de jager met een blik op den caballero.

Don Mariano ontroerde geweldig bij deze vraag, doch daar hij de oplossing liefst aan Vrij-KogeJ zelf overliet en ongaarne zou hebben bekend dat hij zijn broeder had willen redden, antwoordde hij geenszins verlegen en met zekere kwalijk verborgen aarzeling:

„Neen, hij heeft mij niets gezegd; ik dacht dat hjj zich weder bij u zou hebben gevoegd, en zijn afwezigheid verwondert mij evenzeer als u."

Loer-Vogel fronste min of meer de wenkbrauwen.

„Dat is vreemd I" riep hij ; „met dat al, hij zal waarschijnlijk zoo lang niet wegblijven, en dan zullen wij hooren wat hij gedaan heeft."

„Goed," zei don Mariano, die bet gesprek over dit onderwerp niet gaarne langer wilde voortzetten. „Welaan, don Miguel," vervolgde hij, „thans ben ik tot uw orders; spreek op, ik luister met aandacht."

„Geef mij mijn waren naam, don Mariano," antwoordde de jonkman ; „die naam zal u misschien eenig vertrouwen inboezemen: ik ben noch don Torribio Carvajal, noch don Miguel Ortega, ik heet don Leo de Torres."

„Leo de Torres 1" riep don Mariano, verbaasd oprijzende, „de zoon van myn dierbaarsten vriend I"

„Die ben ik," hernam de jonkman kortaf.

„Maar dat kan immers niet 1" riep don Mariano. „Basilio de Torres werd, twintig jaren geleden, met zijn gansche familie vermoord door de ApacheIndianen, op de rookende puinhoopen zijner haciënda, die stormenderhand werd veroverd."

„Ik ben de zoon van don Basilio de Torres," hernam de avonturier. „Zie nrij eens goed aan, don Mariano, is er geen trek in mijn gezicht die uw geheugen kan te hulp komen ?"

De caballero trad nader, legde hem de beide handen op de schouders, en beschouwde hem eenige oogenblikken met de meeste opmerkzaamheid.

„Het is zoo," riep hij, overstelpt van aandoening terwijl er een traan in zijn oog blonk, „de gelijkenis is buitengewoon; ja, ja, ik zie het, nu herken ik u."

„O," hervatte de jonkman met een glimlach, „ik heb de schriftelijke bewijzen in handen om mijn gelijkenis te bekrachtigen. Maar dat doet nu niets meer ter zake, komen wij dus terug op hetgeen ik u te zeggen had."

. „Hoe is het toch mogelijk," viel don Mariano hem in de rede, „dat ik na die verschrikkelijke gebeurtenis, die u tot wees maakte, nooit meer van

Sluiten