Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uiterlijk, de laagste ploertenziel en het verdorvenste hart verborg; deze aartsschelm was door zijn beroep als schrijver, en door de duizend geheime betrekkingen die hij onderhield, grondig bekend met de geheimen van een groot aantal familiën en stond in verband met al de schandalen en wanbedrijven die dagelijks in de hoofdstad plaats hebben. Op zekeren dag, toen ik mij bij hem in zijn posthuis bevond, kwam er een jong meisje binnen ; dat jonge meisje was beeldschoon en scheen eerlijk te zijn; zij beefde als een riet toen zij het hol van den onverlaat binnentrad; deze begroette haar terstond met zijn innemendsten glimlach en vroeg haar op den zoetsappigsten toon, wat er van haar dienst was. Zij wierp een bedeesden blik in het rond en merkte mij op. Ik weet niet waarom, maar ik kreeg terstond de lucht van een mysterie; met het hoofd op de tafel en het aangezicht op de beide armen geleund, hield ik mij alsof ik sliep. — „Die man ?" vroeg zij, op mij wijzende. — „O I" antwoordde de evangelista, „hij heeft te veel pulque gedronken; 't is een arm onderofficier zonder beteekenis, bovendien slaapt hij." Zij aarzelde een oogenblik; toen op eens haar besluit nemende, haalde zij uit haar boezem een papier te voorschijn. — „Schrijf dat af," zeide zij tegen den evangelista, ik zal er u twee oneen goud voor geven." De oude fielt nam het papier aan en zag het in. — „Maar dat is geen Spaansch 1" riep hij. — „Het is Fransen," antwoordde zij; „maar wat geeft gij daarom ?" — „Ik in het minst niet," was zijn antwoord; hij nam papier en pennen, en copiëerde het stuk zonder verder iets aan te merken. Toen hij er mede klaar was, vergeleek het meisje de beide stukken, scheen er over voldaan te zijn, verscheurde het origineel en vouwde het afschrift in den vorm van een brief, dateerde de evangelista een kort adres, dat hij er op schreef, nam toen den brief, stak dien in hare beurs, en ging heen na vooraf den beloofden prijs betaald te hebben, dien de schrijver met gretigheid aannam, daar hij in weinig minuten meer verdiend had dan hij anders in een maand winnen kon. Zoodra het jonge meisje vertrokken was hief ik het hoofd op, maar de evangelista wenkte mij om dadelijk mijn vorige houding te- hernemen, daar hü het slot van zijn deur weder had hooren omdraaien. Ik gehoorzaamde en niet tot mijn leedwezen, want bijna onmiddellijk trad er een man binnen, die zooals duidelijk bleek, niet bekend wilde zijn, want hij had zich dicht in een wijden mantel gewikkeld, en den rand van zijn sombrero was diep ovérzijn oogen neergeslagen. Terwijl hij binnen kwam gaf hij reeds een bewijs van ontevredenheid. — „Wie is die man ?" vroeg hij op mij wijzende. „Een arme vent, die zijn roes uitslaapt," was het antwoord. — „Er is zoo even een meisje weggegaan." — „Dat kan wel zijn," mompelde Leporello, terstond op zijn hoede bij deze vraag. — „Geen dubbelzinnige praatjes schobbejak," antwoordde de onbekende trotsch, „ik kan u wel en zal u betalen," vervolgde hij, een zware geldbeurs op tafel werpende, „antwoord dus, zeg ik u 1" De oude vrek beefde van genoegen en al zijn bezwaren waren op eens verdwenen, toen hij het goud door de mazen zag. „Een jong meisje is hier zoo even de deur uitgegaan, zeg ik u nog eens." — „Ja." — „Wat heeft zij van u verlangd ?" — „Dat ik een Franschen brief voor haar zou overschrijven." — „Goed, laat mij dien brief zien." — „Zij heeft hem toegevouwen, er een adres op gezet en hem medegenomen." — Dat alles weet ik." — „Wat wilt gij dan meer?" — „Wat meer?" herhaalde de onbekende grinnikend,

Sluiten