Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„houdt u maar niet zoo onnoozel, gij hebt zeker een copie van den brief gehouden, die copie verlang ik te zien." Ik kan niet zeggen waarom, maar de stem van dien man had iets bijzonders, dat mij onwillekeurig trof; en daar hij bijna met den rug naar mij toe gekeerd stond, had ik gelegenheid om den evangelista een teeken te geven, dat hij gelukkig begreep. — „Ik heb er niet aan gedacht," antwoordde hij, en trok bij deze woorden zulk een kwezelachtig onnoozel gezicht dat de onbekende er werkelijk door misleid werd; het was blijkbaar een teleurstelling voor hem. — „Enfin," hervatte hij, zij zal wel terug komen immers ?" — „Dat weet ik niet." — „Dan weet ik het wel; en zoo dikwijls als zij komt, zult gij mij een copie bewaren van ieder stuk dat zij u te schrijven geeft. Maar hoe is het met het antwoord op hare brieven, moet dat ook hier komen? — „Dat zou ik u niet kunnen zeggen." De onbekende haalde de schouders op en zei met nadruk: „Gij zult die niet bestellen voor dat gij ze mij hebt laten zien. Adieu, tot morgen! en als gij uw belang wel begrijpt, wees dan niet zoo onhandig als vandaag." De evangelista grijnsde van genoegen en de onbekende keerde zich om heen te gaan ; maar bij het maken van deze beweging bleef de slip van zijn mantel aan de tafel haken, zoodat de plooien losgingen en ik een oogenblik gelegenheid kreeg om zijn aangezicht te zien; ik had al mijn zelf beheersching noodig om niet te schreeuwen, daar ik hem oogenblikkelijk herkende; die man was don Estevan, uw broeder. Met een gesmoorden vloek trok hij den mantel weder over zijn gezicht en stapte mompelend de deur uit. Nauwelyks was hij weg of ik sprong op, schoof de grendels op de deur, plaatste mij voor Tio Leporello en zei met een barsche stem: „Nu hebt gij met mij te doen 1" Hij sprong verschrikt achteruit; er lag op mijn gelaat zulk een vreeselijke uitdrukking, dat hij tot aan den muur van zijn pothuis terug stoof en krampachtig de goudbeurs omklemde, die hij zeker meende dat ik hem wilde ontrooven. — „Ik ben een arm oud man," riep hij. — „Waar is de copie die gij aan dien man geweigerd hebt?" vroeg ik even kort en bits als te voren. Hij grabbelde terstond in zijn lessenaar, nam de copie en gaf ze mij zonder een woord te zeggen; ik las haar bevend van aandoening, ik begreep alles. — „Ziedaar," zeide ik, hem een once goud in de hand duwend, „van iederen brief dien gij voor het jonge meisje schrijft, zult gij mij de copie ter hand stellen; ik veroorloof u om er ook dien man inzage van te geven; maar onthoudt dit vooral: geen antwoord, door dat individu aan dat meisje geschreven, mag aan haar worden ter hand gesteld, voordat ik het gelezen heb; ik ben niet zoo rijk als die vreemdeling, maar ik zal u toch goed betalen. Gij kent mij. Ik heb u dus niets meer te zeggen, dan: zoo gij mij verraadt, zal ik u behandelen als een hond." Met deze bedreiging ging ik heen. Terwijl de evangelista de deur achter mij sloot, hoorde ik hem mompelen: „Santé Maria 1 in welk een wespennest heb ik mij gewaagd I" — Zie hier verder den sleutel van dit mysterie: het jonge meisje dat ik bij Leporello ontmoette heette dona Luisa en was novice in het Bernardijnen-klooster, waar zich uw dochter bevond. Dona Laura, niemand wetende aan wie zij zich beter zou toevertrouwen, had haar belast om aan don Francisco de Paulo Seranno....

„Mijn schoonbroeder en haar doopvader l" riep don Mariano.

„Dezelfde vervolgde don Leo. „Uw dochter, zeg ik, had dona Luisa

Sluiten