Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezitten zij een groote mate van doorzicht om de plannen te raden der lieden waarmede het toeval hen in aanraking brengt, en zich voor de strikken te wachten die hunne vijanden hun spannen. Machsi-Karehde, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was een bedreven krijgsman, daarbij even wijs in den raad als in den strijd, en ofschoon nog zeer jong, had hjj zich reeds een grooten naam gemaakt bij zijn stam.

Zoodra Loer-Vogel de lynch-wet op don Estevan toegepast en het doodvonnis over hem had uitgesproken, was er onder de jagers, zooals het in dergelijke gevallen meestal gaat, een soort van verwarring ontstaan; zy begonnen druk en driftig te redeneeren, en het kordon om het kamp werd voor eenige oogenblikken gebroken. Van deze gelegenheid maakte de Vliegende-Arend in stilte gebruik; terwijl niemand op hem lette gaf hy de Wilde-Roos een wenk, dien de jonge vrouw dadelijk begreep, en beiden slopen door het kreupelbosch weg zonder dat hunne verwydering werd opgemerkt.

Na ongeveer twintig minuten door het bosch te zyn voortgegaan, oordeelde het opperhoofd zich ver genoeg verwijderd; hij bleef dus staan en wendde zich naar zijn vrouw, die hem kort op de hielen was gevolgd.

„Wij zullen de bleekgezichten hun werk alleen laten afdoen," zeide hij ; „de Vliegende-Arend is een krijgsman der Commanchen, hij behoeft niet langer ten gevalle der blanken tusschenbeide te komen."

„Keert het opperhoofd dan naar zijn dorp terug?" vroeg de Wilde-Roos schroomvallig.

De Indiaan glimlachte loos.

„Alles is nog niet geëindigd," antwoordde hy, „de Vliegende-Arend zal zijn vrienden in 't oog houden."

De jonge vrouw neigde het hoofd, en daar zij zag dat de Indiaan was gaan zitten, maakte zij zich gereed om een kampvuur aan te leggen.

Het opperhoofd hield haar terug.

„De Vliegende-Arend wil niet ontdekt zyn," zeide hy; „laat mijn zuster zich naast my nederzetten en wachten; een onzer vrienden is thans in levensgevaar."

Op dit oogenblik liet zich, niet ver van de plaats waar de twee Roodhuiden gezeten waren, een hevig gedruisch van krakende takken in het kreupelbosch hooren.

De Indiaan spitste aandachtig de ooren en zat eenige minuten onbeweeglijk in voorovergebogen houding.

„De Vliegende-Arend zal even heengaan," zeide hij opstaande.

„De Wilde-Roos zal op hem wachten," antwoordde de jonge vrouw met een vriendelijken blik.

Het opperhoofd liet bij zijn gezellin de wapens achter, die hem in de uitvoering van zijn oogenblikkelijk opgevat plan hadden kunnen belemmeren, en hield alleen de lasso bij zich, die hij, met de meeste zorg om zijn rechterhand kronkelde, en zich toen tersluiks naar de plek begaf waar het gedruisch van seconde tot seconde sterker werd.

Nauwelijks had hij twintig stappen in deze richting gedaan, zich met moeite door het hooge gras en de verwarde lianen een weg banende, of hij zag ongeveer tien ellen van zich af, een heerlijk zwart paard staan, dat met achterover liggende ooren, uitgerekten hals, de pooten ver van elkander;

Sluiten