Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bloedige neusgaten wijd open gesperd en den muil met schuim bedekt, hinnekend en snuivend, zoodat het bosch er van daverde, hem met de groote schrandere oogen woest en schuw aankeek.

„Ooah!', mompelde het opperhoofd terwijl hij plotseling bleef staan en het prachtige dier als een kenner bewonderde.

Thans trad hij omzichtig eenige passen nader, om het vreesachtige dier, dat al zijn bewegingen met schuwen blik gade sloeg, niet nog meer te verschrikken, en zoodra het achteruit sprong om te ontsnappen, slingerde hij het met zooveel behendigheid de lasso over den kop, dat de loopende strik tot aan de schouders over den hals viel; de onthutste viervoeter beproefde nu eenige oogenblikken zich aan den strik te ontworstelen en de dierbare vrijheid terug te bekomen, die hem zoo plotseling ontfutseld was; maar weldra ziende dat zijn pogingen nutteloos waren, onderwierp hij zich gedwee aan zijn nieuwen meester en liet den Indiaan ongehinderd nader komen, zonder den nutteloozen strgd een oogenblik te verlengen.

Met reden zeggen wij dat hij zich aan zgn nieuwen meester onderwierp, want het was geen paard uit de wildernis, maar de prachtige Arabier van don Estevan, dien hij verloren had toen hij in het gevecht aan de Rubio gewond werd. Het tuig van het paard was gedeeltelijk beschadigd en verscheurd door het kreupelhout, maar toch nog in staat om dienst te doen.

De hoofdman, niet weinig in zijn schik met de goede vondst die het toeval hem beschikte, steeg terstond in den zadel en reed stapvoets naar de Wilde-Roos terug, die gehoorzaam en onderdanig als een echt Indiaansche vrouw, zich sedert zijn vertrek nog niet had verroerd.

„Ha! de Vliegende-Arend keert thans naar zijn dorp terug, gezeten op een ros dat zulk een groot opperhoofd waardig is I" riep zij even fier als naïef, zoodra zij hem zag.

De Indiaan glimlachte.

„Ja," antwoordde hij, „al de sachems zijn trotsch op hem."

En met de ongekunstelde blijdschap die zoo wel met de oorspronkelijke ruwheid dezer natuur-menschen strookt, begon hij terstond eenige der moeielijkste passen, voltes en courbettes uit te voeren, zoo verheugd als een kind over de bewondering der Wilde-Roos, die hg hartstochtelijk lief had en die met innig welgevallen, ofschoon niet zonder heimelijke vrees zag hoe geraakkelijk en stout hij het prachtige dier behandelde. Eindelijk steeg de hoofdman af en ging naast zgn vrouw zitten, zonder daarom den teugel van zijn paard los te laten.

Zoo zaten zij een geruime poos bg elkander zonder een woord te wisselen, de Vliegende-Arend scheen diep in gedachten verzonken, zijn oogen zwierven hier en daar in de duisternis, alof hg ergens in de verte eenig voorwerp had willen onderkennen; gretig luisterde hij naar de duizend geluiden der eenzame wildernis en speelde werktuigelijk met zijn scal peermes.

„Daar zgn ze I" klonk op eens zijn uitroep, terwijl hg opstond alsof hg door een ontspannen springveer werd opgeheven.

De Wilde-Roos keek hem met verwondering aan.

„Hoort mijn zuster niets?" vroeg hij haar.

„Ja," zeide zij het volgende oogenblik, „ik hoor duidelijk paarden in het bosch."

„Dat zgn de bleekgezichten, die naar hun kamp terugkeeren."

Sluiten