Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zonder bekommering dat hij zijn vermoeden zou bewaarheid zien.

Aan den rand van het grasperk gekomen bleef hij staan, boog de takken voorzichtig uiteen, en keek rond. De duisternis was nog te groot om iets duidelijk genoeg te onderscheiden; er heerschte in dit gedeelte van het bosch een doodelijke stilte. Maar op eens werden de struiken me? kracht bewogen en nu schoot er een man hem rakelings, met een sprong als een jakhals, voorby, en verdween weldra achter hem in de duisternis.

Een donker voorgevoel beklemde het hart van den Roodhuid, hy dacht er een oogenblik over na of hij den onbekende zou achtervolgen; maar liet dit denkbeeld terstond weder varen.

„Neen," zeide hij, „wij zullen eerst zien wat hier gebeurd is; dien man ben ik zeker dat ik altijd zal wedervinden, zoodra ik maar wil."

Hy stapte het grasveld op. De vuren die er een uur te voren gebrand hadden, waren uitgedoofd en verspreidden geen het minste licht meer; alles was stil en duister.

Het opperhoofd trad snel voorwaarts en bereikte weldra de plek waar de kuil gedolven was. Zy was ledig en don Estevan nergens te zien; op den rand der glooiing, door de uitgeworpen* aarde gevormd, lag een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.

De Vliegende-Arend bukte om hem van nabij te bezien. Hij had hem dadelijk herkend.

„Heb ik het niet gedacht 1" riep hij in zich zeiven, terwijl hij zich met een grijns oprichtte, „de bleekgezichten zijn lafhartige oude vrouwen, de ondankbaarheid is een ondeugd der blanken, de wraakzucht is een deugd der rooden."

Hij stond eenige seconden in beraad met de oogen strak op den gewonde gericht.

„Zou ik hem helpen?" vroeg hij zich eindelijk af. „Waartoe zou het dienen? het is immers beter dat die blanke coyotes elkander onderling verscheuren; de roode krijgslieden mogen om hunne woede lachen. Die man daar," vervolgde hy, „was nochtans een der beste onder de plunderzieke bleekgezichten, die ons tot in deze laatste toevluchtsoorden terug< dringen I Bah I maar wat gaat hy mij aan ? onze twee rassen zyn elkanders vijanden; laat de wilde beesten hem verder afmaken, ieder zyn deel van den buit 1"

Na deze alleenspraak wilde hy zich verwyderen. Eensklaps echter voelde hij een hand op zijn schouder, en een schroomvallige stem fluisterde hem zacht in het oor.

„Die bleeke man was de vriend van den grijskop die den VliegendenArend eenmaal heeft gered; vergeet de Sachem dit ?"

Het opperhoofd ontroerde bij deze vraag, die zoo geheel met zijn innigste gedachten overeenkwam; want al poogde hij zichzelven wijs te maken dat er reden bestond om den gewonde aan zijn lot over te laten, gevoelde de Indiaan zeer goed dat zulk een bedrijf onverantwoordelijk was en dat de eer hem gebood den man te helpen die aan zijn voeten lag uitgestrekt.

„Kent de Wilde-Roos den jager ?" vroeg de Sachem ontwijkend.

,De Wilde-Roos heeft hem twee dagen geleden voor het eerst gezien, toen hij den vriend van Machsi-Karehde zoo moedig te hulp kwam."

„Ooah 1" bromde de Indiaan, „mijn zuster spreekt waarheid, die krijgs-

Sluiten