Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar alle zijden rondziende, als iemand die plotseling uit een diepen slaap wakker wordt ert nog niet volkomen in staat is om de hem omringende voorwerpen te onderscheiden.

Intusschen had Vrij-Kogel een te krachtig gestel om lang in dezen staat van half bewustzijn te blijven; weldra kwam er weder orde in zijn denkbeelden, hij herinnerde zich wat er gebeurd was en welken verraderlijken slag hem door den man dien hij gered had was toegebracht.

„Ik dank u, brave Roodhuid," zeide hij met een nog zwakke stem, terwijl hij het opperhoofd zijn hand toestak.

De Indiaan drukte die hartelijk.

„Mijn broeder gevoelt zich nu beter?" zeide hij op vragenden toon. „Ik gevoel mij zoo wel alsof er niets met nrij gebeurd was," antwoordde Vrij-Kogel.

„Ooah I dan zal mijn broeder zich op zijn vijand kunnen wreken."

„Laat dat maar aan mij over 1 de schurk zal mij niet ontsnappen, zoo waar als ik Vrij-Kogel heet," antwoordde de jager met nadruk.

„Goed 1 mijn broeder zal zijn vijand dooden, en zgn haarschedel aan de deur van zijn wigwam ophangen."

„Neen, hoofdman, zulk een wraak moge voor een Roodhuid geschikt zijn, maar zij voegt niet aan een man van mijn ras en kleur."

„Wat denkt mijn broeder dan te doen ?"

De jager glimlachte, zweeg eenige oogenblikken, en hervatte toen het gesprek, zonder de vraag van den Indiaan te beantwoorden. „Sedert hoe lang bevind ik mij hier?" vroeg hij. „Omtrent een uur." „Niet langer?" „Neen."

„Goddank I dan kan mijn moordenaar nog niet ver weg zijn." „O! een kwaad geweten is een scherpe prikkel," merkte de Roodhuid verstandig aan. „Dat is waar."

„Wat wil man broeder doen?"

„Dat weet ik nog niet; mijn positie is bijzonder moeilijk," antwoordde Vrij-Kogel nadenkend ; „door de inspraak van mijn hart en de herinnering aan een lang geleden bewezen dienst gedreven, heb ik een daad gedaan die op velerlei wijze kan worden uitgelegd; ik zie thans dat ik verkeerd heb gehandeld. Intusschen, Roodhuid, wil ik u zeggen dat ik mjj weinig over de verwijten mijner vrienden bekommer; ofschoon het hard is voor iemand van mijn leeftijd en nrijn ondervinding, zich te hooren verwaten dat hij zoo onnoozel heeft gedaan als een kind, en zich aangesteld als een gek."

„Gij dient ten minste toch te besluiten."

„Dat weet ik zeer goed, maar dat is juist wat mij het moeilijkste valt, te meer nog, omdat don Miguel en don Mariano zoo spoedig mogelijk van het gebeurde onderricht moeten worden, of de gevolgen mijner dwaasheid zijn niet te berekenen."

„Hoor eens," zeide de hoofdman, „ik begrijp zeer goed dat gij tegen een onvermijdelijke bekentenis opziet; het is zeker ondragelijk hard, als een grijsaard .het hoofd moet buigen voor verwtttingen, hoe welverdiend zij ook mogen zyn."

Sluiten