Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar wat dan ?"

„Als gij er in toestemt, wil ik voor u doen wat u te veel moeite zou kosten. Terwijl gij de Wilde-Roos gezelschap houdt, zal ik naar uw vrienden de bleekgezichten gaan en hun zeggen wat er is voorgevallen; ik zal hen tegen hun vijand waarschuwen en gij zult niets van hun ongenoegen te duchten hebben."

Bij dit voorstel van den Indiaan, werd het aangezicht van den ouden jager rood van verontwaardiging.

„Neen !" riep hij forsch, „ik zal mijn misslag niet vergrooten door een lafheid, ik moet de gevolgen van mijn dwaze handeling ondergaan ; ik zeg u dank, hoofdman, voor uw goed gemeend voorstel, maar ik kan het niet aannemen."

„Mijn broeder is er meester over, hoe hij wil handelen."

„Laat ons haast maken," riep de jager, „wg hebben reeds te veel tijd verloren; God weet welke gevolgen mijn misslag heeft en welke onheilen er misschien uit zullen voortvloeien. Als ik ze niet meer kan verhoeden, is het tenminste mijn plicht om ze zooveel mogelijk te verhinderen. Kom meê, hoofdman, volg mij, wij moeten onmiddellijk naar het kamp."

Onder het uitspreken dezer woorden stond de jager met koortsachtige drift op.

„Ik heb geen wapens," riep hij, „de ellendeling heeft ze mij ontroofd."

„Laat mijn broeder zich daarover niet ongerust maken," antwoordde de Indiaan, „in het kamp zal hij wapens genoeg vinden."

„Dat is waar; maar waar is mijn paard, dat ik eenige schreden van hier heb laten staan ? Ik moet het dadelijk zoeken."

De Indiaan hield hem terug.

„Het zou u niets baten," zeide bij.

„Waarom niet?"

„Die man heeft er zich meester van gemaakt."

De jager sloeg zich moedeloos op het voorhoofd.

„Wat nu ?" mompelde hij.

„Mijn broeder neme mijn paard."

„En wat gij dan, hoofdman?"

„Ik heb er nog een."

„Ah I" riep Viij-Kogel.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend bracht de Wilde-Roos het andere paard.

De beide mannen wierpen zich in den zadel; het opperhoofd liet voor ditmaal, om zooveel mogelijk spoed te maken, zijn vrouw achter hem opzitten en nu reden de twee ruiters, met het hoofd over den hals hunner paarden gebogen en met gevierden teugel in vliegenden galop naar het kamp der Gambucinos, waar zij binnen een uur, zonder nieuwe ongelukken, aankwamen.

Sluiten