Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn binnenste, en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijn taak stipt te volvoeren, en rechtstreeks naar de stad te trekken. Een ding behield hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg van zijn zoogbroeder Chicuhcoatl *) den Amantzin van Quiepa-Tani toe te vertrouwen, die in zijn hoedanigheid als opperpriester van den tempel der Zon, bij machte was om ze voor aller oog te verbergen, tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijn schoone gevangenen weder onder zijn eigen toezicht te nemen.

De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat van diepe neerslachtigheid, die haar het vermogen benam om veel op het aarzelen en draaien van haar ontrouwen gids te letten. Zonder bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en met christelijke gelatenheid zich overgeven aan de zware beproevingen die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden te verduren hebben.

Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te midden der steeds dichter en dichter wordende menigte, stadwaarts en bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen' waren.

Addick, na zgn gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij een houding aan zoo onverschillig hem maar eenigszins mogelijk was, ofschoon zijn hart klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om te worden binnengelaten.

Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor de poort.

Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, die hun den doortocht versperde.

Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste stadbeambten te herkennen, stond op van de butacca — zitbank — waar hij in achtelooze houding zgn calumet had zitten rooken, en trad met afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, terwijl hij Addick en zgn gezelschap van het hoofd tot de voeten met de grootste aandacht bekeek.

De Indiaan schrikte in 't eerst over deze blijkbaar vijandige ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde zich naar den schildwacht en fluisterde hem met onhoorbare stem eenige woorden in 't oor.

De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap achteruit en liet de vreemdelingen door.

Zij gingen de poort binnen.

Addick richtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had'gezweefd.

1) „Acht-slangen," van Meuk acht, en coatl slang.

Sluiten