Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die naar de uitgestrekte gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het gewijde vuur van Moctecuzoma') onophoudelijk blijft branden. De trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iederen morgen met versche bladeren en bloemen bestrooid.

Aan de zuidzijde van het plein verrijst de tanamitec of het paleis van den vorst.

Dit paleis, welks naam letterlijk eene „door muren omgeven ruimte" aanduidt, is niets anders dan een aaneenschakeling van audiëntie- en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden, die met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapens, als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden, geweren en andere vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels Van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen als wij, zoo niet beter.

Een der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Gortez toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten aftocht uit Mexico in den bekenden noche friste (jammernacht) op den weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon is thans voor de Indianen nog altoos een onderwerp van vereering en vrees, — wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk der verovering on de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar hij na verloop van zoovele jaren en veelvuldige lotgevallen niet kon worden uitgewischt.

Op het zelfde plein verheft zich de vermaarde ciuatl-expan of het paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der mannen, de maagden aan den dienst der zon gewijd. Geen manspersoon, uitgezonderd de hoogepriester, vermag dit gebouw binnen te,dringen, terwijl een gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt in menig opzicht naar dat der nonnen in de Europeesche kloosters. Even als deze zijn ze in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat haar niet vrij, anders dan geheel gesluierd, achter een traliehek en in de tegenwoordigheid van een derden persoon.

Ook bij de openbare plechtigheden en godsdienstige feesten in den tempel verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluierd. Wanneer het van een zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezicht heeft gezien, moet zij onmiddelljjk ter dood worden gebracht.

In het kloostergebouw zelve houden zij zich met vrouwelijken arbeid bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstige plichten. De geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand haar tot deze

1) Zie Vrij-Kogel (van denzelfden schrijver).

Sluiten