Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel samen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar, blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit, zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken het geval is, het tooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker zedeloosheid.

De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des voormiddags hunne waren te koop aanbieden, namelijk vruchten, groenten en stukken vleesch of gevogelte; iedere andere handelswaar is bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint, weeft en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen — meubels, huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft volbracht, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag.

Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huiselijken arbeid in te laten, gaan op de jacht of ten oorlog.

De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in Europa, met klinkende specie — die over het algemeen, onder de Indianen weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel met de blanken gebruikt wordt — maar door middel van ruiling. Dit eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europeesche beschaving geheel onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianenstammen in het binnenland byna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of ander voorwerp, dat hü missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt of noodig heeft Ziedaar alles.

Terwijl wij dus onzen lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick en zijn twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten. De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plechtig beloofde de hem in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken.

Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hü om' dezen edelman in het belang der Indianen te verplichten, besloten had een van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om zijn keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang te moeten verschuiven.

Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk zou beloonen.

Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen gelukken. Hij nam al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura, die hij zoo plechtig

Sluiten