Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg te ruimen. Er was namelijk onder zijn handlangers zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met een Indiaansche mama — beschaafde vrouw — gehuwd, die niet ver van Monterey hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om zich te doen verstaan. Het was een vrouw van ongeveer dertig jaren, ofschoon men op het eerste gezicht zou gedacht hebben dat zij ten minste vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk lichaam zoo snel ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt, begint haar frischheid spoedig te verwelken en komen rij met haar vijfentwintigste jaar reeds tot een staat van verval, die geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, ofschoon zij in haar jeugd een schoonheid en bevalligheid bezaten die vele Europeaansche dames haar met recht hadden kunnen benijden.

De vrouw van Atoyac heette Huitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig, zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten der anderen. Zij moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen.

Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men met verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken, met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp verdrijven, aan welke rij in haar eenzaamheid ten prooi waren. De Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en haar tegenwoordigheid was voor de meisjes een aangename afleiding.

Bij het tweede bezoek echter .begonnen de Spaansche meisjes reeds te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten dag een ware teleurstelling. De verschijning van Huitlotl werd voor haar een voortdurende kwelling. Als Spaanschen, sterk aan den godsdienst harer vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw veel te eenvoudig en uit 'zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke rol, die men haar had opgedragen, lang vol te houden, of voor haar nieuwe vriendinnen te verbergen, welk lot zij ondanks de zoetsappige woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en welke vreeseljjke folteringen zij zouden moeten doorstaan, wanneer zij weigerden zich aan den Zonnedienst te verbinden. Het vooruitricht was dus alles behalve geruststellend.

De jonge meisjes wisten maar al te wel, dat de Indianen in staat waren om hun gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren; hoewel zij zich standvastig voornamen om aan het voorvaderlijk geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbare angsten verscheurd.

Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop, die dona Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan het

Sluiten