Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er volgde een oogenblik stilte.

„Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral niet in zulke aangename omstandigheden," hervatte de Indiaan. „Zoo!" zei don Estevan laconisch.

„Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zyn krijgslieden, ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezicht hulp te brengen."

De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog.

„Ik zeg u dank," zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, „ik heb niemands hulp noodig."

„Des te beter; en het verwondert mij geenszins; mijn broeder is een groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen."

„Hoor eens," zei don Estevan, „geloof mij, wij moeten geen woordenstrijd beginnen; laten wij liever ronduit met elkander spreken; gij kent mijn omstandigheden beter dan ik u die ooit had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij weinig schelen; maar zooais ik wel denk, hebt gij mij een voorstel te doen — een voorstel, dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes of nuttelooze gesprekken te verkwisten."

Addick meesmuilde grinnekend.

„Mijn broeder spreekt goed," zeide hij op vleienden toon, „zyn wijsheid is groot; ik zal open en vrij met hem te werk gaan; hij heeft my* op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn."

„Voto a brios / — ferm gezegd 1 — dat noem ik spreken als een man, zoo bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uw rede zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wy zullen het wel eens worden."

„Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons samen aan het raadvuur nederzetten, heeft myn broeder behoefte om zyn krachten een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeienissen zyn uitgeput."

„De krygslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer hij eenige spijzen heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen."

„Goed 1 ga mij voor, ik volg h," zei don Estevan.

De drie mannen verwijderden zich in de richting van het kamp der Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen verder op een geschikte plaats was opgeslagen.

De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen.

Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zyn behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op:

„Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren ?" vroeg hij : „rijn zyn ooren geopend ?"

Sluiten