Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mijn ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de aandacht die ik bezit."

„Verlangt mijn broeder zich aan zijn vijanden te wreken ?" „Ja," riep don Estevan met drift.

„Maar zijn vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind."

„Dat is waar," prevelde de Mexicaan.

„Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan, wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijn wraak- I neming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen."

Een koortsachtig rood overtoog het gelaat van don Estevan, en een krampachtige rilling deed zijn leden sidderen.

„Voto a briosf" bromde hij met een sombere stem, „welke voorwaarde gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen zoo als gij zegt."

„Dat myn broeder zich niet te lichtvaardig verbinde," meesmuilde de Indiaan; „onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich later beklagen."

„Ik herhaal u," antwoordde don Estevan ferm, „dat ik uw voorwaarde onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk . kennen."

De omzichtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer dan drie minuten lang, welke den Mexicaan een eeuw schenen ; eindelijk hervatte hij op een geruststellenden toon:

„Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder te vergeefs zoekt."

Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door een vergiftige slang gebeten werd.

„Weet gij dat?" riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en strak aanziende.

„Ik weet het," antwoordde Addick altoos bedaard.

„Dat is onmogelijk."

De Indiaan glimlachte met minachting.

„Onder mijn opzicht en onder mijn geleide," zeide hij, „zijn zij naar de plaats gebracht 'waar zij zich thans bevinden." „En kunt gij mij daar ook brengen ?" „Dat kan ik." „Op het oogenblik ?"

„Ja, mits gij mijn voorwaarden aanneemt." „Dat is waar, noem mij die dan."

„Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak ?" „De wraak 1"

„Goed, dan' blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de RoodeWolf rijn ongehuwd, hunne colli's zijn ledig, zij hebben elk een vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jacht; de ciuatl maken hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn broeder mij begrepen ?"

Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon uitgesproken, dat ,

Sluiten