Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde zich echter terstond en vroeg:

„Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan ?"

„De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijn wraak te heipén uitvoeren."

Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat verscheidene minuten onbewegelijk; die zelfde man die eens tot den dood van zijn nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend en verfoeilijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk een voorstel scheen hem erger dan de dood.

De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien zij zochten te verleiden * zij bespiedden de hachelijke worsteling tusschen zijn goede en booze neigingen, en berekenden in koelen bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart behalen zou. De strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het hoofd op en sprak met een bedaarde stem en met een gelaat dat geen de minste ontroering verried:

„Welaan I het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uw voorwaarde aan en zal mijn woord houden ; maar houdt gij eerst het uwe."

„Dat zullen wij," antwoordden de Indianen.

„Eer de zon achtmaal zal ondergaan," voegde Addick er bij, zullen de vijanden mijns broeders in zijn macht zijn, en zal hij naar welgevallen over hen kunnen beschikken."

„Zeg mij intusschen wat ik doen moet," hervatte don Estevan.

„Hoor ons ontwerp," zei Addick.

En nu begonnen de drie mannen samen het plan te overwegen dat zij volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het drietal rustig laten beraadslagen, om ons met de andere personen bezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans moeten terugkomen.

XXVI.

EENE JACHT IN DE PRAIRIËN.

De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschoning van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen voor hen stond.

De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijn verwilderde blikken onbestemd rondgaan, terwijl zijn gelaat allengs een uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam. ,

Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef gehard, zich

Sluiten