Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beid van een enkel krijgsman meer of minder maakt voor hen niet veel uit."

„Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het dorp zijner vaderen."

„Zoo doen immers alle menschen ?"

„Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren."

„Gaan de bleekgezichten hun kamp opbreken ?"

„Ja."

„Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen dorpen terug ?"

„Neen, zij gaan op een groote bisonsjacht uit, in de prairiën, aan de overzijde van de „groote rivier met de gouden golven."" .

„Ooah /" riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; „dan zullen er vrij wat maanden verloopen eer ik mijn broeder wederzie."

„Hoedat, hoofdman ?"

„Gaat de groote jager dan niet mede met zijn broeders V „Neen," zei Loer-Vogel kortaf.

„Ooah l mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezichten doen wanneer hij hen niet vergezelt ?" „Ik ga naar den kant der zon."

De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden blik.

„Naar den kant der zon t" prevelde hij in zich zeiven.

„Ja," hernam Loer-Vogel, „naar de altoos groene prairiën in het land van Acatlan') aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh." 2)

Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel hield zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende gemoedsbewegingen van den Sachem nauwkeurig gadesloeg, wat moeite deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te houden.

„Mijn broeder doet verkeerd," riep hij een oogenblik later.

„Waarom ?"

„Mijn broeder weet zeker niet, dat het land waarvan hij spreekt heilig is; nog nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden." „Dat weet ik," antwoordde de jager onverstoord.

„Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er heen te gaan!" „Ja."

Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep stilzwijgen ; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn calumet. Hij scheen zijn ongerustheid niet meester te kunnen worden. Eindelijk nam hij weder het woord op:

„Ieder onzer heeft zijn lotsbestemming," zeide hij op dien ernstigen toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, „mijn broeder stelt zonder twijfel groot belang in deze reis ?"

„Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewicht, en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne."

„Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te drin-

11 Letterlijk: rietland, van aeaü, riet.

2) Waterzon, van att, water, en tonatiuh, zon.

Sluiten