Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen; het hart van een mensch komt hem zeiven toe, hij alleen kan er in lezen; de Vliegende-Arend is een machtige Sachem, hij zelf moet ook dien weg uit en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijn bedoelingen edel en goed zijn," „Dat zijn ze."

Ooah ! Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd."

Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vroolijk op, wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een machtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich het noodige voor zgn vertrek gereed te maken.

Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezers hem noemen willen, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds klaar stond; de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel, met de karabijn op den rechter dij, slechts wachtend op het eerste signaal tot den marsch.

Don Miguel koos onder zijn bende xeen vijftiental oude, in den krijg geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige woorden toe om hun zijn voornemens te doen kennen, en stelde hen onder commando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in alles te gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren hem de Gambucinos met een luid hoerah.

Na het volbrengen van dezen plicht, riep hij Domingo tot zich. De mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij ontvangen zou.

Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder onmiddellijk toezicht van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijn sluipgangen te belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van don Miguel openlijk te trotseeren, verzette de waardige Gambucino zich niet, doch nam zich in stilte voor op zijn hoede te zijn en zijn omzichtigheid te verdubbelen.

Nadat don Miguel zich van zijn taak als chef op een verstandige wijze gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog niet volkomen geheelde wonden.

Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de rechterhand van Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, en gaf het sein tot den afmarsch.

De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg, de onder kommando van Ruperto links in de richting der bergen en die onder Vrij-Kogel, vooreerst langs den oever der Rubio.

In het kamp bleef niemand achter dan Loer-Vogel, don Mariano, de Vliegende-Arend en de Witte-Roos, behalve de twee bedienden en de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijn vertrekkende kameraden na-

Sluiten