Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staarde, terwij] deze zich meer en meer verwijderden en weldra geheel verdwenen.

Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en een vrouw, in alles zeven personen.

De oude jager had zijn geheime redenen waarom hij niet verkoos op weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn.

Nauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizon verdwenen, of de nacht daalde snel en het landgoed werd bijna oogenblikkelijk in diepe duisternis gedompeld.

Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de breedten tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder overgang op den» dag volgt.

Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen geen woord gesproken en geen voet verzet; zijn kameraden hadden, zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag van hun commandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht niet gedaald of de jager scheen te ontwaken.

„Op marsch!" riep hij met een krachtige stem.

Allen stonden op.

De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond.

„Laat uw paarden maar hier," riep hij, „wij hebben die noodig; het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjacht; wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij volgen is moeilijk. Juanito, gij moet by de paarden blijven, tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult."

De knecht was blijkbaar ontevreden.

„Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben," zeide hij.

„Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en kordaat man noodig om op deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij ontmoeten zullen, moet gij u een hut bouwen. Gij kunt op de jacht gaan en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van daan moogt zonder mijn order.

„Accoord, compadre," antwoordde Juanito, „gij kunt gerust vertrekken; al zou uw reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij mij hier bij uw terugkomst vinden zult."

„Goed," zei Loer-Vogel, „ik maak staat op u."

Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester, die hem met de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen ; zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten hem als een onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam de reata, of lasso die aan den zadetkop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker verdriet van zich wegstappen.

De tochtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den

Sluiten