Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in NoordAmerika, heeft ons in zijn voortreffelijke werken met de listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan; maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, die heerlijke type van het volk der Delawaren — wier laatste held hij echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, nog heden bestaat — moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking van de Comanchen, de Apachen, de Pawnes, en andere volken in de groote Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzicht hunne meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig en laat zich licht begrijpen.

De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of machtigen staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en leefde om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften; de familie-hoofden of individu's uit welke zij bestaan, vereenigen zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuarlijke eigenschappen van menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven namelijk een verbazende vlugheid in 't loopen, een allerfijnst gehoor en een scherpte van gezicht die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen die men ook bij de Arabieren vindt en, over 't algemeen, bij zwervende volken in iederen hoek der aarde.

Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de wilde dieren geleerd, en behoefden dezen slechts na te volgen.

De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al werkelijk bestaat.

De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel, het volk.

Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, heeft zich gedrongen gezien om zijn krachten te verdubbelen, ten einde deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen, hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver weten door te voeren, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, hnnne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar, dat het den meer beschaafden indringers uit Europa niet alleen nimmer gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne periodieke invallen te ontslaan welke invallen de Comanchen, in hunne verbloemde taal, de Mexicaansche maan noemen, en gedurende welke zij straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortocht ontmoeten.

12

Aimard. Spoonoeker. Ca dx.

Sluiten