Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk begint, het wordt dus tijd om u te zeggen waar wij heengaan. Zoodra wij dit bosch door zijn, hetgeen niet lang duren zal, komen wij aan een ruime vlakte, in welker midden een stad ligt. Die stad, door de Indianen Quiepa-Tani genoemd, is een der geheimzinnige wijkplaatsen waar ach, sinds den inval der Spanjaarden, de aloude Mexicaansche beschaving heeft teruggetrokken. Welnu, naar die stad moeten wij heen, want daar bevinden zich twee jeugdige meisjes die wij geroepen zijn te redden. Maar dat zelfde Quiepa-Tani is tevens een heilige stad. Wee den Europeaan of den blanke die in haar omtrek gezien wordt of het waagt haar te betreden 1 Ik mag u dus niet verbergen dat de gevaren, die wij tot hiertoe trotseerden en gelukkig te boven kwamen, niets te beteekenen hebben, in vergelijking met die welke ons waarschijnlijk te wachten staan, eer wij het ons voorgestelde doel zullen bereiken. Er valt natuurlijk niet aan te denken dat wij allen die stad kunnen binnentrekken; dit te willen ondernemen zou een dwaasheid zijn die, zoo niet op een gruwzamen moord, toch op ons onvermijdelijk verderf zou uitloopen. Daarentegen zal het noodig zijn dat wij hier getrouwe kameraden vinden, die ons in geval van tegenspoed of gevaar konden te hulp komen. Hoort daarom, caballeros, wat ik besloten heb; onze vriend Bermudez zal op onze stappen terugkeeren, dat is, naar de plek waar wij Juanito gelaten hebben; van daar zullen deze twee, tegelijk met onze paarden, zich naar de algemeene verzamelplaats begeven, die wij onderling hebben afgesproken, ten einde zich daar met het detachement van Ruperto en VrijKogel te vereenigen, en alsdan, zoo dit mogelijk is, gezamenlijk herwaarts te komen. Wat dunkt u hiervan, caballeros? Keurt gij dit plan goed?" In elk opzicht," antwoordde don Mariano met een toestemmende buiging. „En gij, hoofdman, wat zegt gij ?"

„Mijn broeder is wijs, al wat hij zegt is goed," zei de Sachem.

"Maar hoe dat, moet ik u dan verlaten?" mompelde Bermudez met een vr'agenden blik naar zijn meester.

't Is noodig vriend," antwoordde deze, „maar het zal slechts voor kort zijn, naar ik hoop." j' <

„Herinner u goed langs welken weg wij gekomen zijn, om u met te vergissen als gij terugkomt," zei de jager.

„Ik zal mjjn best doen," antwoordde Bermudez.

"Zeg, oude jager," riep Domingo meesmuilend, „wat duivel 1 waarom zendt gij "mij 'niet liever, dan dezen armen man, daar ik als woudlooper de prairie op mijn duimpje ken, terwijl ik bijna durf wedden dat hij zijn gebeente op de weg zal te bleeken leggen?"

Loer-Vogel schoot den Gambucio een doorborenden blik toe, die hem de, oogen neerslaan en beschaamd het hoofd deed buigen.

„Omdat ik, vriend Domingo," antwoordde hij met zonderlingen nadruk op ieder woord, „omdat ik zooveel van u houd, dat ik u geen minuut languit het oog zou willen verliezen; gij begrijpt mij immers, niet waar?"

Zeer goed, zeer goed !" stotterde de mesties, blijkbaar verward; „maak u 'maar niet' boos, oude jager, ik zal blijven; wat ik er van gezegd heb was alleen in uw belang, anders niet."

Ik stel uw belangeloosheid op prijs en waardeer uw aanbod naar verdienste," hernam de Canadees spottend, „spreken wij er niet verder over." Zich daarop tot Bermudez wendende, vervolgde hij: „Daar wij wellicht

Sluiten