Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verklaar, en ik zal het doen, ofschoon het wellicht beter ware geweest, dat ik gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken."

„Ik mag hier mijn broeder doen opmerken," hervatte het opperhoofd, „dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige aanmerkingen te moeten maken ; vindt hij die ongepast, ik weet zijn hart is goed, en bij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen."

„Neen, neen, hoofdman," hervatte de jager met drift, „nu wij eenmaal dit punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand tusschen ons te voorkomen."

„Mijn broeder kan over mij beschikken, ik- ben gereed hem aan te hooren, als het hem behaagt te spreken ; ook zal ik gaarne wachten, als hij dit noodig keurt."

„Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste besluit, ik wil u liever , alles zeggen."

De Comanch begon schalks te glimlachen.

„Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken?" vroeg hij.

„Ja."

„Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen vertellen, dan hetgeen ik zelf heb geraden."

De jager weerhield nauwelijks een uitroep van verbazing.

„O, ho!" mompelde hij, „wat beteekent dat hoofdman ? Waarom hebt gij mij dan zulke ernstige verwijten gedaan ?"

„Omdat ik mijn broeder heb willen doen voelen, dat de eene vriend niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als men weet dat men op hem zoo goed als op zich zeiven zou kunnen rekenen."

De jager begon even te lachen, maar herstelde zich dadelijk.

„Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman," zeide hij, hem hartelijk de hand toestekende ; ik heb die verdiend door mijn gebrek aan vertrouwen; de dienst dien ik van u verwacht is zoo( gewichtig, dat ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks mij zeiven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het laatste- oogenblik toe zou besloten hebben."

„Ik weet het," antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, die Loer-Vogel geheel gerust stelde.

„Intusschen," hervatte de jager, „hoezeer gij mij verzekert mijn plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet."

„Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft een fijn gehoor en een doordringend oog; het is nu bijna twee maanden reeds dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijn tegenwoordigheid gesproken ; het opperhoofd heeft alles gehoord en gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze dingen in een van die colliers — boeken — geschreven,

Sluiten