Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die de blanken zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de-hoofden des gebeds heb gezien."

„Hoe scherp ook uw doorzicht wezen mag, hoofdman," hervatte de jager met nadruk, „kan ik mij toch moeilijk voorstellen dat gij zoo juist van mijn ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt."

„Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar ik weet welken dienst hij van mij verwacht."

„Te weerga I hoofdman," sprak de jager, „dan zal het my aangenaam zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik «»nuw doorzicht twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hun scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, dat ik er gaarne uw opinie over zou willen hooren, al was het slechts om mij persoonlijk te overtuigen en tevens ieder die ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn."

„Hm 1" mompelde Domingo, „wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude jager; het is maar al, te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn.

„Dat ben ik niet met u eens," merkte don Mariano hierop aan ; „ofschoon ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijn komst in deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, volkomen met uw plannen bekend."

„Dat geloof ik ook," hernam de jager. „Maar hoe dit wezen mag, wij zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig mogelijk hooren wat er is van dat doorzicht waarop gij u zoozeer durft beroemen.

„De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is een Sachem die zijn woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich niet verstandiger te willen zijn dan zijn broeders de bleekgezichten; alleen de ervaring die hjj heeft opgedaan is zijn wijsheid en helpt hem verklaren wat hij ziet of hoort."

„Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan te hooren met al de aandacht die gij verdient." '

„Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken, wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen zijn heen gevlucht, een van welke de dochter is van het opperhoofd met den grijzen baard ; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder toezicht van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden heeft — denzelfden die onlangs door de bleekgezichten gevonnisd werd — en nu met hem de twee vrouwen wil oplichten en uit den weg ruimen. Ik heb gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen ? of heb ik mij hierin bedrogen ?"

De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra opnieuw:

„Thans zal ik u zeggen welken dienst de jager van zijn broeder den Sachem der Comanchen verlangt."

13

Almard. Spoorjoeker. 6a dr.

Sluiten