Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bij God I hoofdman," riep Loer-Vogel, „ik moet bekennen dat alles wat gij gezegd hebt waarheid is 1 Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen ? Ik begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; maar wat den dienst aangaat dien ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten...."

„Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate," viel het opperhoofd hem glimlachend in de rede, „alsof hij mij voor een ingewijde hield in de groote geneeskunst, — een toovenaar. —

„Hm 1" mompelde de jager ernstig, „ik zou niet durven zweren dat er niets van aan was."

„Ooah! dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezichten was het tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten einde zekere berichten te krijgen aangaande de twee jonge blanke meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om mijn plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeeren. Ziedaar de reden die hem aan den Vliegende-Arend deed denken. Hij overwoog bij zich zeiven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de poort der Tzinco — stad, — wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit niet zou zijn voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narichten die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen worden door tusschenkomst van zijn broeder den VliegendeArend."

„Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog verbergen ? Heb ik mij in u bedrogen ? Zoudt gij dat niet voor mij willen doen ?"

„Ik zal meer doen, en beter dan dat," antwoordde de Indiaan ; „dat mijn broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is een vrouw, niemand zal acht op haar slaan; zij zal de Tzinco ongemerkt binnenkomen en, veel beter, dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen komt, zal het opperhoofd den jager helpen."

„Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; het is in allen opzichte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning uitgaat, een vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij zal ons de beste berichten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad."

De Vliegende-Arend schudde het hoofd, en hield den jager bij den arm terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed te maken.

„Mijn broeder is te driftig," zeide hij: „dat hij mij vergunne, hem nog een paar woorden te zeggen. „Laat hooren. "

„De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer bericht ontvangen."

Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand. „Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gü voor ons hebt uitgedacht,

Sluiten