Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standigheden ; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het jaar 1843, ik was toen te ...."

„Maar," viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, „al is mijn broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder de krijgsman het wel kennen."

„Ik ?" riep don Leo, „in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren dat ik thans voor het eerst in deze streek kom."

„Mijn broeder vergist zich," zei de Indiaan; „hij is er reeds geweest; maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn broeder is kort, hij is het vergeten."

„Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, om niet op het eerste gezicht een plaats te herkennen, waar ik reeds eenmaal geweest ben."

De Indiaan begon te lachen bij deze voorbarige bewering van don Leo.

„Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval," zeide hij, „ofschoon er op zijn langst drie maanden verloopen zijn, sedert hij met den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht."

De avonturier richtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij ten zeerste getroffen.

„Wat wilt gij mij zeggen, in 's hemels naam Roodhuid ?" riep hij heftig ontroerd.

„Ik wil u zeggen dat Quiepa-Tani daar ginder ligt," hernam de Indiaan, zijn arm in zuidwestelijke richting uitstrekkende; „wij zijn er niet verder af dan een halven dagmarsch."

„Is het mogelijk ?" riep don Leo.

„Een Sachem liegt nooit."

„O 1" riep de jonkman met kracht terwijl hij schielijk opstond, „bij den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws." „Wat gaat gij doen ?" vroeg hem Vrij-Kogel.

„Wat ik doen ga ? kunt gij dat nog vragen ? Zijn dan zij, die wij moeten redden, niet op weinige uren afstands van ons?"

„Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uw onstuimige drift het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen."

„Wat gij zegt is hard, oude jager," zei don Leo; „maar ik vergeef het u, omdat gij met begrijpt, wat ik op dit oogenblik gevoel."

„Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in een zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list."

„Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt 1" riep de jonge man met drift. „Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze vertrouwen in deze vossen val heb gebracht."

„En die gij nu door een tweede dwaasheid voor altijd in het verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft ? Ziet gij kans om op twee mijlen afstands van een sterk bevolkte heilige stad, met uw vijftien Gambucinos tegen eenige duizenden dappere en geoefende Roodhuiden te vechten ? Het zou een aardige grap zijn om zich in koelen bloede te laten vermoorden. Dat don Estevan zich naar deze streek heeft begeven, blijkt duidelijk genoeg,

Sluiten