Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Inderdaad, hoofdman," zei don Miguel, „hoe denkt gij er over? Zou het beter zijn, dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever bij ons 1"

„Wij zullen hier komen."

„Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio."

„De Vliegende-Arend is een goed payatzin — looper, —" antwoordde het opperhoofd, „maar hij heeft slechts de beenen van een mensch."

„Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard ?"

„Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; een spoor laat zich beter volgen te voet."

„Dat is licht te verhelpen. Met hoevelen zijt gij ?"

„Met ons vieren."

„Hoe 1 vier ? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij." „Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer kameraden ons verlaten hebben." „Goed, dan ga ik met u mede."

Don Leo gaf onmiddellijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijn afwezigheid voor het kamp te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden bij den teugel met zich voerende.

De beide ruiters hadden nauwelijks twintig minuten noodig om den weg af te leggen, waarvoor de Vliegende-Arend een vol uur had noodig gehad, uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren.

Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van den VliegendenArend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging.

Bij hun ontwaken wachtte hen echter een onaangename verrassing; in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën.

Domingo was verdwenen.

Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel met drift: . „Stijgt af, stijgt af I caballeros, wij moeten allen op de jacht 1 „Hoe dat 1 op de jacht, en op dit uur ?" vroeg don Miguel; „zijt gij gek, oude jager?"

Ik ben alles behalve gek," antwoordde de Canadees schielijk; „maar ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jacht 1 wij zijn verraden."

„Hoe dat verraden 1" riep don Miguel, verwonderd opkijkende, „en door wie in 's hemels naam ?"

„Door Domingo 1 de schelm is gevlucht terwijl wij even sliepen. Ja, ik heb dat koperen gezicht niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd."

„Domingo gevlucht? hij een verrader? Gij bedriegt u."

„Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u."

Sluiten