Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meer was er niet noodig om den jonkman woedend te maken, hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer. „Wat moet er gedaan worden ?" vroeg hij.

„Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen," antwoordde de jager schielijk; „gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren tijd verloren."

Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs vier verschillende wegen het bosch in.

Maar de duisternis was te sterk ; onder het geboomte dat op den vollen dag nauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een donkeren nacht, daar dé maan nog niet op was, geen twee passen ver om zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vluchten, zich misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, zouden de jagers hem waarschijnljjk onopgemerkt voorbijgaan. Hun nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen van hoeveel belang het voor hen was^ om den vluchteling terug te vinden. In weerwil echter van hun behendigheid bleven al hun pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, don Mariano en don Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddellijk door een tweede gevolgd.

„Daar moeten wij op af, Loer-Vogel 1 De Vliegende-Arend heeft zeker den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn wild nagezeten dan hij."

De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de richting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er dichter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp ; de bekende oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende stem aangeheven, liet deswege geen twijfel meer over. Eindelijk bereikten zij het tooneel van den strijd.

De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den benauwden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen.

De drie blanken grepen terstond hun geweren bij de trompen en sloegen er met de kolven als beukhamers op in, onder vervaarlijk geschreeuw zich mengende in den hachelijken kamp.

Het onmiddellijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle richtingen als een drom zwarte spoken.

„Zet hen na! zet hen na 1" brulde don Miguel voortijlende.

„Houd op 1" schreeuwde Loer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; „wie zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft ? Laat die ellendigen vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u borg voor."

De jonkman begreep nu dat op dit oogenblik een vervolging in de duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, een aanmerkelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht van teleurstelling.

Sluiten