Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die zich geheel had ontkleed, zijn lichaam en vooral zijn aangezicht te verven ; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk een ayotl of gewijden schildpad op de borst, verzeld van eenige symbolische figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden en welke hij tevens op zijn aangezicht herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, die . nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd samen, op de manier der Ywmas, de meest rondzwervende Roodhuiden, die men kent, en om hem des te meer het uitzicht van een vreedzaam man te geven, stak hij er aan den linker kant een papagallo-veer in, in plaats van midden op de kuif, zooals de krijgslieden gewoonlijk doen.

Nadat deze toebereidselen eindelijk afgeloopen waren, vroeg de VliegendeArend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid de verschillende stappen van gedaanteverwisseling hadden nagegaan, hoe zij vonden xlat hun kameraad er thans uitzag.

„Op mijn woord," riep Vrij-Kogel naïef, als ik deze herschepping niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een' dergelijk zeer zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 4836. Verbeeld u.. ."

„En wat zegt gij er van ?" hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde.

Deze kon zijn lach nauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek.

„Mijn hemel I" riep hij, „ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den tocht wagen kan."

„Ooahl de Indianen zijn zoo geslepen," mompelde het opperhoofd ; „maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft."

„Ik verlang niets beter; alleen moet ik aanmerken, hoofdman, dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen."

„Mijn broeder zal een tlacateotzin zijn, een groote Ymeesche dokter."

„Te weergaa 1 dat is een kapitaal idee, in die rol kan ik overal toegang krijgen."

De Comanch begon te lachen en boog toestemmend.

„Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag," vervolgde de jager ; „maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten geneesmiddelen mede te nemen "

Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch en haalde er alles uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn reisfoedraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich droeg, en van welke onschatbare bagage hij bij menige gelegenheid goeden dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder dicht, slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd.

„Ik ben gereed," zeide hij.

„Goed; de "Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang gemakkelijk te maken."

De Tlacateotzin boog toestemmend.

De Indiaan riep zyn vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers en verwijderden zich.

Sluiten