Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodra het opperhoofd verdwenen was zei ook Loer-Vogel zijn vrienden vaarwel. Het was wellicht voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen ?

„Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch," zei don Miguel, „om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste Sein te hulp te snellen."

„Kom," antwoordde de jager kortaf.

Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel van angst en bezorgdheid zagen vertrekken.

De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te wisselen; de Canadees was in diep gepeins verzonken ; don Miguel zelf scheen ten prooi aan een ontroering, die hij niet kon onderdrukken. Zoo kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud.

De jager bleef staan.

„Hier moeten wij elkander verlaten," zeide hij.

„Dat is waar," zeide de jonkman, terwijl hij treurig rondkeek; verder sprak hij niet.

De Canadees wachtte een oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel bleef zwijgen, zeide hij :

„Hebt gij mij niets te zeggen?"

„Waarom vraagt gij mij dat ?" antwoordde de jonkman met een onwillekeurige huivering.

„Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker iets te zeggen hebben."

„Ja, 'tis waar," zei hij met blijkbare inspanning, „uw vermoeden is juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, 't is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geen woorden vinden om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uw ondervinding en uw kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, niemand anders zou naar QuiepaTani gegaan zijn dan ik."

„Ja, dat laat zich begrijpen, dat kan niet anders zijn," prevelde de jager, meer in zich zeiven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd had : „en waarom zou het ook anders zijn ?" vervolgde hij; „de liefde is de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven ?"

„Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg?" liet hij er driftig op volgen.

„O 1" riep de jonkman. „Weet gij dan dat ik haar bemin ? Dit geheim, dat ik nauwelijks voor mij zeiven durfde bekennen, is dus in uw hand I"

„Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig in mijn hart als in het uwe."

„Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars vaders terug te voeren."

Sluiten