Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwsgierige menigte te bemoeien, tot op veertig passen van de hoofdpoort, waar zij halt maakten.

Op hetzelfde oogenblik zag men drie ruiters in galop uit de stad- komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, om den nieuw aangekomen troep te ontvangen.

Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden de vorige drie te gemoet.

Na een korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu gezamenlijk bij den troep, die onbewegelijk achteraf was blijven staan, stelden rich aan het hoofd en trokken in geregelde orde de stad binnen.

Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen.

De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna hoorbaar klopte, een houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, en meldde rich aan om op zijn beurt te worden binnen gelaten.

Op eenigen afstand had hij den Vliegende-Arend en zijn vrouw opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen te bekleeden.

Dit gezicht verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees.

Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd aan de poort.

A Hier echter werd er een lans geveld, die hem den doortocht belette.

Op een wenk van den Vliegende-Arend, verwijderde zich, de Indiaan met wien hij gesproken had en richtte zijn schreden naar de poort.

Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen van Loer-Vogel had willen, verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, en met een eerbiedige buiging een paar passen terugtrad.

De oude Indaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen.

„Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani," zeide hij terwijl hij den jager beleefd groette; „mijn broeder heeft hier vrienden.".

Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de noodige fermiteit om zijn rol goed te spelen, en vroeg:

„Is mijn broeder een opperhoofd ?"

„Ik ben een opperhoofd."

„Ooah 1 dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden."

Daar de jager, om zoo te zeggen, zijn persoonlijkheid veranderd had, meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken mag, beteekent het eenvoudig' Twee Konijnen, *) zonder twijfel een zeer vreedzamen naam

1) Ometochtli is samengeteld uit om twee, en tochüi,, konijn.

Sluiten