Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en geheel in overeenstemming met de rol die de jager spelen zou.

„Ik heb mijn broeder niet te ondervragen," hernam het opperhoofd beleefd, „daar ik weet van waar hij komt; m*jn broeder is een der ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas."

„De Sachem is goed onderricht," antwoordde de jager; „ik zie dat hij met den Vliegende-Arend gesproken heeft."

„Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft ?"

„Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan."

„Ooah!" hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, „waarliggen dan de jachtgronden van mijns broeders stam ?"

„Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee)."

„Wenscht mijn broeder de gróote geneeskunst te Quiepa-Tani uit te oefenen ?"

„Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah te aanbidden, in den heerlijken tempel, dien het vrome Indiaansche volk hem in deze heilige stad heeft gesticht."

Zeer goed; mijn broeder is een wijze; rijn volk is vreedzaam; maar ik," vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zjjn .volle lengte oprichtende : „ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac.'.'

Door een zonderlingen samenloop van omstandigheden, was de eerste Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend.

„Dan is mijn broeder een machtig opperhoofd," antwoordde hij op de grootspraak van den Indiaan.

Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleiend compliment.

„Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is opgedragen, zeide hij.

„Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen !"

„De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleiende complimenten van den jager, die hem geheel als betooverden.

„Dat myn broeder Twee-Konijnen mjj gelieve te volgen; wij Villen eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens begeven wij ons naar mijn caUi (hut), die ik hem in het bezit geef zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt.

Loer-Vogel maakte een eerbiedige buiging.

„Mijn broeder is goed," zeide hij, „ik ben niet waardig met het stof mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen."

„De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge."

„Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt."

En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de Vliegende-Arend en de WildeRoos eenige passen verder in de poort, en sloten deze zich weldra bij hen aan.

Alle vier begaven rich nu, zonder een woord te spreken, gezamenlijk naar

Sluiten