Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad gelegen was.

Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die hij doortrok te bezichtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani kennis te maken.

Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl — de Duif — de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, op een mat van maïs-stroo tortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard-Indianen, die wij hiervoor reeds gelegenheid hadden te beschrijven, en waarop men met recht den titel van wilden mag toepassen.

Op het oogenblik dat de Sachem mei zijn gasten binnentrad, sloegen de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op.

„Huitlotl," zeide Atoyac met deftige waardigheid, „ik breng u deze vreemdelingen ; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der Comanchen, dien gij reeds kent zoowel als zijn vrouw."

„De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van Atoyac," antwoordde zij.

De Comanch maakte een lichte buiging, maar sprak niet.

„Déze man hier," vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, „is een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; ook hij zal bij ons zijn intrek nemen."

„De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas," zeide zij met zekeren minzamen glimlach ; „de Duif is zijn slavin."

„Mijn broeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen," antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan.

„Mijn broeder zal mij op de wangen kussen," hervatte de wederhelft van Atoyac, terwijl zij de rechterwang aan Loer-Vogel toekeerde,, die hij eerbiedig met de lippen aanroerde.

„Mijn broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken," vervolgde de Duif; „de weg is lang en stofferig en de stralen der zon zijn heet."

„De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers," antwoordde Loer-Vogel voor rich en zijn gezellen.

Hiermede was de voorstelling afgeloopen.

De slavinnen brachten eenige butaccas (legbedden) waarop de reizigers zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende naar de Spaansche alcaforas, met pulque gevuld, het Indiaansche bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim schijnen te bezitten.

Sluiten