Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXII.

EERSTE ONTDEKKINGEN IN DE STAD.

Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle beleefdheden van zijn gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hy zich bevond, om zich hierdoor op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad, daar hy met reden veronderstelde, dat de inrichting, ten minste grootendeels, met die der overigen zou overeenstemmen.

Het vertrek waar Atoyac zijn gasten had binnengelaten, was een vry' groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden gehouden.

Eenige stapels vellen van tijgers en ecoloÜ (boschkatten) benevens mantels en fressades, lagen in een soort van kribben, of groote bakken opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen.

Buttacas (rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe, vierkante tafel van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer.

Zooals men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij in alle Indiaansche callis, die gewoonlyk uit zes vertrekken bestaan, genoegzaam dezelfde.

Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot dagelyksche huiskamer voor het gezin.

Het tweede is bestemd voor de kinderen. Het derde dient tot slaapkamer.

Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin de Indianen onovertrefbaar zyn; de getouwen zyn van bamboes en met bewonderenswaardige eenvoudigheid samengesteld.

Het vyfde vertrek bevat allerlei soorten van levensmiddelen voor het regengetij, wanneer de jacht onmogelijk wordt.

Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is.

Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zy hun spijzen gewoonlyk in den coral, dat is in de open lucht bereiden.

Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- of winterkoude brandt er in iedere kamer een groote steenen test met komfoor.

De zorg voor de orde en zindelykheid in de vertrekken is aan de slaven of de slavinnen toevertrouwd, die onder toezicht van de vrouw des huizes arbeiden.

Deze slaven zyn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen niet zelden met woeker de wreedheden terug, die zij van de blanken ondergaan, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde slaverny gedoemd.

Sluiten