Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door den Vliegende-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag rechtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan aan de deur der calli vertoonde.

„De Wacondah verheugt zich I" zei de nieuw aangekomene, met een statige en eerbiedige buiging; „ik heb een boodschap voor mijn vader."

„Mijn vriend is welkom," antwoordde het opperhoofd; „mijn ooren zijn geopend."

„De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd," zei de Indiaan ; „men wacht alleen op mijn vader Atoyac." „ Wat is er dan voor nieuws aan de hand ?"

„De Roode-Wolf is met zijn krijgslieden gekomen; zijn hart is vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick vergezelt hem."

De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding.

„Zijn de Roode-Wolf en Addick terug ?" riep Atoyac met verwondering; „dat is vreemd 1 wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig herwaarts kunnen brengen ?"

„Dat weet ik niet; maar zij zijn nauwelijks een uur geleden in de stad gekomen."

„Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende ruiters de stad is binnengerukt?"

„Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij hem voorbij reed. Wat moet ik den opperhoofden antwoorden ?"

„Dat ik onmiddellijk in den raad kom."

De Indiaan boog en vertrok.

De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich gereed om heen te gaan.

De Vliegende-Arend weerhield hem.

„Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest."

„Ja" antwoordde de Sachem onbewimpeld, „ik ben treurig."

„Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is ?"

„Broeder," zei de oude Sachem met bitterheid, „er zijn zoovele maanden verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht."

„De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden zijn plannen ongestoord uitvoeren."

„Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter rijn geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven."

„Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds heeft het noodlot mij dit belet."

„Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien niet hebben plaats gehad."

„Wat wilt gij hiermede zeggen ?"

„Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik ontbreekt mij daartoe den tijd; ik moet onverwijld naar den raad, waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en het is hun maar al te zeer gelukt;' om een heilloozen invloed op de beraadslagingen uit te oefenen en met hun denkbeelden al de andere opperhoofden te beheerschen."'

Sluiten