Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, en zoo kreeg hij, dank zij zijn behendigheid, de meest nauwkeurige berichten aangaande de zwakke punten der stad ; bijv. hoe men na het sluiten der poorten naar buiten en weder binnen kon komen, zonder gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte voornam, om op het oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken.

Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven.

Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Yogel op zijn langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslachtige meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om zyn voordeel mede te doen ; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zeiven over, om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten.

Loer-Yogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder binnen trad, Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar de beide yrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met zekere geestdrift samen te keuvelen.

Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een verstandhoudenden blik toe.

De jager vlijde zich op een butacca neder, nam de calumet uit zijn gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken.

Intusschen hadden de vrouwen na den gewaanden geneesheer stilzwijgend gegroet te hebben, haar gesprek hervat.

„Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier heen gebracht ?" vroeg de WilderRoos.

„Ja," antwoordde de Duif.

„Dat verwondert mij," vervolgde de jonge vrouw; „want als het nu een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste inrichting der stad aan de Gachupines hekend worden, en dan zou men deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen."

„Dat is zoo; maar mijn zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet ontsnappen kan."

De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd.

„O," zeide zij, „de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wjj zoo even gezien hebben, zullen zeker niet ontsnappen ; daartoe worden zij te streng bewaakt; ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar."

„Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zyn; haar lot is treurig."

„Ja wel treurig I Maar wat kunnen wij er aan doen ? Zij zijn het eigendom van Addick; dat opperhoofd zal hen nooit weder in vrijheid willen stellen."

„Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar'zuster ?"

„Wanneer ?"

„Morgen, zoo gij wilt."

Sluiten