Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u." Deze laatste gezegden vooral troffen den jager.

Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij zijn zelfbeheersching noodig om zijn ontroering te verbergen en te zorgen dat de Duif niets van zijn onrust bemerkte.

Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in tóóm gehouden, daarom niet minder verschrikkelijk was.

Atoyac kwam recht op den jager af, die intusschen reeds opstond om hein te ontvangen.

Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem lag uitgedrukt, vreesde • hij dat er wellicht iets ten zijnen opzichte was ruchtbaar geworden ; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen.

„Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote geneeskunst ?" vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden blik gadesloeg.

„Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd ?" was de wedervraag van den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den VliegendeArend een twijfelmoedigen wenk gaf.

Laatstgenoemde glimlachte.

Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zeo kalm zou zyn gebleven.

„Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijn heelkundige instrumenten medenemen," riep Atoyac tamelijk barsch.

Het zou weinig takt hebben verraden als hij dit verzoek, hoe onstuimig ook gedaan, had willen weigeren ; overigens bewees het hem dat de gastheer geen booze voornemens met hem had.

Hij nam het dus aan.

„Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen," was al wat hij er op antwoordde.

„Spreekt myn vader de taal der barbaarsche Gachupines ?" vroeg Atoyac.

„Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de bleekgezichten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of meer hunne taal," zei Loer-Vogel.

„Zooveel te beter."

„Zal ik dan een blanke moeten genezen ?" vroeg de Canadees, die gaarne vooraf verlangde te weten wat men van hem Vorderde.

„Neen," antwoordde Atoyac; „maar een van de grootste opperhoofden der Apachen heeft eenige maanden geleden twee jonge blanke vrouwen hier gebracht ; die vrouwen zyn ziek; de booze geest heeft zich van haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven hare legerstede."

Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart dreigde hem te ontzinken, een onwillekeurige huivering liep hem over het lijf; hij had schier bovenmenschelyke kracht noodig om de diepe ontroering te beteugelen die in zyn hart kookte, en om met een bedaarde stem te kunnen zeggen:

„Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver myn plicht dit vereischt."

Sluiten