Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met ijver de gelegenheid aan, die zich thans opdeed, om zich te wreken, en meende voor ditmaal van zijn zaak zeker te zijn, en zijn gehaten vijanden al de vernederingen en al het kwaad, dat zij hem hadden doen ondergaan, met woeker terug te zullen betalen.

In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezen ruiters te verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertocht zou zijn.

Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming.

Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrichten, met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? De weg om naar Quiepa-Tani te komen was lang en bijna onbruikbaar; hij moest over steile rotsheuvels, door ontoegankelijke wouden en onmetelijke wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijn Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen ?

Konden zij er aan denken om haar te veroveren ? Zouden zij het wagen om met een dertigtal mannen een stad te bestormen die meer dan twintig duizend zielen bevatte, bovendien 3 versterkt was door hechte poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, die uit "al de Indiaansche stammen bijeengebracht, bijzonder belast waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om haar tot den laatsten man te Verdedigen, liever dan zich over te geven ?

Zoo iets te veronderstellen viel buiten alle berekening en was inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou, hebben stilgestaan.

De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden was dus, te onderzoeken waar zich hun vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers hun maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden genoodzaakt waren hun vijanden langs drie verschillende sporen te volgen en dus hun bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, om de Gambucinos van alle zijden in 't oog te houden.

In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de drie saamverbondenen.

Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hun krachten te verdeelen, wilden natuurlijk elk het commando over een afzonderlijk korps op zich nemen, een regeling die don Estevan reeds dadelijk minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door hun niet zonder reden te doen opmerken, dat in de tegenwoordige onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging des vijands in 't oog te houden terwijl de drie opperhoofden bij elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hun oorlogsplannen gezamenlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige (gelegenheid die rich aanbood met kracht te kunnen handelen.

De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, ofschoon door de omstandigheden gedwongen rich met de twee Sachems te vereeni-

Sluiten