Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen stelde; hij verachte hen evenzeer, als hij op zijn beurt door hen veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar in den steek zouden laten om hem zijn zaken in de Prairie alleen te laten afdoen.

De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat zij zün . bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen, die hjj hun opgaf, goedkeurden en er al het gepaste van erkenden.

De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken.

Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, teneinde de twee jonge dames in de stad op te lichten en in handen te krijgen, om door hare tegenwoordigheid den ijyer zijner bondgenooten aan te vuren.

Zij trokken op weg.

Bij deze gelegenheid had er een zeer zonderlinge verwikkeling plaats, namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op het speor zaten, en elke troep gedurende meer dan een -maand lang, met gelijke drift en nauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde.

Zoo liepen de zaken zonder tot een ontmoeting te leiden, voor dien nacht toen Domingo in het woud verdween.

Hoe dit kwam, zullen wij thans nader doen zien.

Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht yan den schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen scheiden om hem des te beter in ïtoog te kunnen houden.

Ongelukkig echter was er ondanks Loer-Vogels onafgebroken waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan een maandlang niets gebeurd dat den jager in zijn vermoedens kon versterken. Domingo had niet de minste verdachte beweging gemaakt en zoo het scheen stipten getrouw zijn plicht gedaan. Als er gekampeerd werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich in zijn zarapê wikkelde, zich op den grond uitstrekte en onder voorwending van vermoeidheid insliep.

Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te richten, dat de jager, hoe slim hij ook wezen mocht, zich door hem liet verschalken. Van lieverlede begon dus zijn achterdocht te verminderen en z«n waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Oambucino niet licht een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo waren zij meer dan een maand lang op weg geweest en bevonden zich de avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen b\jna onmogelijk dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijn kameraden zou durven verlaten en zich alléén in de woestijn zou wagen, waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen.

Sluiten