Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze nalatigheid .van Loer-Vogel bewees slechts een zaak, namelijk dat de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte was van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal opgevat plan volhouden.

Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat het basterdras waartoe hg behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, de gelegenheid daartoe den een of anderen) dag zeker komen zou.

Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets voor hem of ontzag zich om in zijn bgzgn vrijuit over dé zaken te spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zgn kameraden niet voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal karakter van den jager in strijd was Door deze vertrouwelijkheid werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, van welke hij tegen zgn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden te vernemen die hg anders nooit zou zgn te weten gekomen, en die hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur mogelgk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra het toeval hen in zijn tegenwoordigheid zou brengen.

Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijn beurt rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, die hg zich wel wachtte aan zgn kameraden mede te deelen.

Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rgk met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn te dragen.

Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don Etsevan te hebben gezien.

Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het voorloopig aan zgn borst, zich voorbehoudende om het later nader te onderzoeken, wanneer hg geen gevaar liep door zijn makkers te worden overvallen.

De Vliegende-Arend, zooals wij vroeger gezien hebben, was dien avond op verkenning uitgegaan, en zijn vrienden, na een vuur ontstoken, hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten op zijn terugkomst te wachten.

Het was op dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich bgzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogen bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de vermoeienis, lieten zich op den molligen bodem neervallen en waren weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hg nooit weder moest ontwaken.

Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; nauwelgks toch hadden Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de rijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat men niet anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep.

Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hg" zacht over- .

Sluiten