Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarde, waaraan don Estevan zich natuurlijk niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven en hun terugkomst af te wachten.

Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeien, ook de jagers van hun kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als wij reeds gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel, als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani was binnen gekomen.

Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten raad der opperhoofden bijeen te roepen, scheidde Addick zich van hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriend Chicuhcoatt — Acht-Slangen — den Amantzin of opper-priester der heilige stad Quiepa-Tani.

Deze intusschen, toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken.

Hij had haar van de terugkomst van Addick onderricht — die haar trouwens reeds bekend was — en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had, stipt geheim te houden.

De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich verbonden om te zwijgen en tevens den opperpriester verwittigd, dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen, Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin had haar plechtig bedankt voor haar mededeeling en haar gezegd dat hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en dan niet in gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen.

Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid om hem te ontvangen.

Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der talrijke lediggangers in de stad, die haar gedurig met hun bezoeken lastig vielen, te onttrekken, zich verplicht had gezien haar in het paleis der Zonne-maagden over te brengen, tot tijd en wijle zij haar wettigen eigenaar konden worden teruggegeven.

Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg waarmede zijn vriend zich van de hem opgelegde taak scheen te kwijten, en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren dubbelzinnigen glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf.

Derhalve besloot hij om zijn plannen niet langer te bewimpelen, maar stoutweg met zjjn verzoek voor den dag te komen.

Sluiten