Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXIV.

EEN GESPREK.

De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met gefronste wenkbrauwen, gesloten lippen en doorborende blikken, elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duellisten, die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven.

Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te geduchtiger en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens werden gebezigd dan list en geveinsdheid.

De macht der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot bevordering van eigen inzichten en belangen.

Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die hun priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden begrijpen en waarover zij zich ook zeer weinig bekommeren.

Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het vertrouwen der meeste famïliën bezat; zyn gezag en populariteit waren op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd. Addick wist dit zeer goed; meermalen had hij zich op den veelvermogenden invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk het voor hem zyn kon om met zulk een man in onmin te geraken.

Ghicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en hardvochtig gezicht voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden.

Nochtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zy'ner blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met een zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijn inwendige verbolgenheid was overgebleven.

„Mijn vader bemint my," zeide hij; „wat hij deed is goed, en ik zeg er hem dank voor."

De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak.

„De Wacondah heeft mij bezield," antwoordde hij op schijnheiligen toon.

„De heilige naam van Wacondah zij gezegend I" hernam de Sachem. „Zal mijn vader mij de gevangenen niet laten zien ?" vroeg hij.

Sluiten