Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

debatten kunnen samentrekken in de verklaring, dat de plannen van den, Roode-Wolf en Addick volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baat-' zuchtig doel niet verkozen mede te werken.

De ^opperpriester ging hierbij met bij zonderen takt te werk; zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde: dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den Sachem die haar in de stad had gebracht, maar als gevangenen van het geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezicht des opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg, om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, toen hij Addick aanspoorde om zich den raad te wenden, wist vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haai' op de schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel, Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzichte.

De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek, de belangen der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er eene bende van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd, zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te waken, daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen en zich van haar meester te maken.

De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac, het land in alle richtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand in 't eog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddellijk bevel van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden. ,f, ,4;

Na deze besluiten ging de raad uiteen.

De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dien hij sinds jaren kende, met recht onder de Indianen een grooten naam had verworven, en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren.

De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegende-Arend te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijn woorden het volste geloof, en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin zonder verwijl naar het paieis der Zonnemaagden te geleiden, ten einde zijn kunst te beproeven

Sluiten