Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de twee jonge blanke meisjes die door den grooten volksraad onder zyn bijzondere voogdij waren gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige bezorgdheid inboezemde.

Addick had deze laatste woorden, «die met luider stem werden uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester.

„Wat zegt mijn vader daar?" riep hij met levendige belangstelling.

„Ik zeg," antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, 'maar hoogdravenden toon, „dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan mijn bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige krankheid zijn bezocht geworden."

„Zou haar leven in gevaar zijn ?" vroeg de jonge Sachem met blijkbaren angst.

„De Wacondah alleen beeft hét leven zijner schepselen in handen ; ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zal zyn; wat meer zegt, gelijk myn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone gevangenen, welke myn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd."

Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling niet onderdrukken, en gaf zijn houding den opperpriester duidelijk genoeg te kennen, dat bij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en min of meer de richtige toedracht der zaken in twyfel trok. Uit eerbied echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester, hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, maakte hij voor den opperpriester een lichte buiging, keerde hem den rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met den Roode-Wolf, die op eenige schreden afstands had staan wachten.

De Amantzin volgde den jonkman eenige seconden met een onbeschrijfelyken blik ; toen zijn gesprek met Atoyac en den Vliegende-Arend vervolgende, verzocht hy hun om den geneesheer uit Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden, hetgeen zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem om naar hunne calli terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twyfel op hen wachtte." ÈsÈÊtë

Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den VliegendeArend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, dat de twee Apachen-opperhoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik moest verliezen om aan zijn taak te beginnen, daar zij anders onherroepelijk schipbreuk zou lijden.

Na een wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, waar zy|Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek, dat Atoyac hem namens den opperpriester gebracht had, onmiddellijk gehoor te geven ; hij nam zyn kistje met geneesmiddelen onder den arm en haastte zich om hem te volgen.

Sluiten