Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXV.

DE SAMENKOMST.

Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, bij de gedachte aan den moeilijken toestand in welken hij zou kunnen geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verzette hij zich tegen de ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte het hem spoedig zijn zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en uitwendig een kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre was van te bezitten.

De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, vreezende dat deze óngewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, bjj zijn gids licht eénige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen opwekken, zocht hem ongemerkt aan 't spreken te krijgen, om zoodoende aan zijn gedachten een andere wending te geven.

„Heeft mijn broeder veel gereisd ?" begon hij bij wijze van inleiding.

„Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre tochten zien voorbijgaan ?" was de bedachtzame wedervraag van den Indiaan. „Onze broeders, de bleekgezichten, — mijn vader weet het even goed als ik, — vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons onophoudelijk om voorden aandrang hunner verovering terug te trekken.

Dat is waar," zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. „Wijs mij" toch in de onbekende woestijn een plek, waar het ons vergund wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er onverbiddelijk zijn voren te trekken, ze te verbrijzelen en in alle winden te verstrooien ?"

Helaas 1" hervatte Atoyac, „het roode geslacht is vervloekt; eens komt de dag wanneer men ons te Vergeefs zal zoeken in de onmetelijke vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan het gewelf des hemels schitterefl; ons volk schijnt onherroepelijk veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen ; de bleekgezichten zijn slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken."

„Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, zonder dat het zelfs de hoop behield om zich »ooit weder op te heffen."

Wat is er geworden van de machtige keizers van Anahuac die eens de geheele wereld beheerschten ? Van de ontelbare steden, voormaals door hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallanx) overgebleven,

1) Letterlijk „het Roode land" van üapalli, rood*

Sluiten